Klein kattenleed
Spinner komt tevoorschijn om de hoek van de straat. De enorme rug waarmee hij rondloopt, doet eerder aan een woest prehistorisch schepsel denken dan aan de sullige huiskat zoals hij in huiselijke kring bekend staat. Ongecontroleerd zwiept de staart met kleine schokjes heen en weer. Het is duidelijk dat de jacht er nog niet op zit.
Hij wringt zich tussen spijlen van het hekwerk door, en dat past nog maar net. En zo stapt deze zelfverzekerde bonk adrenaline de tuin in. Hiermee is de kat van staal gearriveerd en kijkt beheerst om zich heen. Hij observeert, tegen de zon in turend, de bewegingen in de tuin. Een snelle blik achterom leert dat alles in orde is.
Een huisgenoot, een volledig witte poes, een echte dame, ligt op de warme tegels in de tuin. In zijn tuin, op zijn gras en op zijn tegels. Volledig witte poezen zijn in de regel volgens keiharde natuurwetten doof of blind, of allebei. Deze witte poes heeft lak aan natuurwetten en mankeert niets, op het eerste gezicht.
Spinner weet wel beter. Samen zaten zij in het asiel. Hij zat er al vier jaren toen het witte monster zijn leven kwam verzieken. Zij paradeerde als een volleerd mannequin bij hem in de kamer. Steeds als ze langs hem liep, mepte ze met een poot vol nagels over zijn neus.
Een stuk of twintig katten zaten in die kamer maar hij, Spinner, was de pisang. Elke dag weer.
Na twee lange weken met dit mormel in een kamer opgesloten te hebben gezeten kwam er een jong mensenstel binnengelopen. Ze wisten meteen dat zij het witte ding wilden hebben. Prima! Strik erom en meenemen. Graag zelfs. Eindelijk zou hij van haar af zijn. Er kwam een kattenmand tevoorschijn en Spinner zag het allemaal gebeuren.
Net toen het stel de kattenmand zou afsluiten kwam er een hand in zijn richting. Ze propten hem er zo bij. Voor hij het in de gaten had zat hij met zijn kop in witte dons en had hij tien nagels in zijn wangen. En zo was hij veroordeeld tot samenwonen met het ergste wat hem ooit was overkomen.
Behoedzaam loopt hij verder de tuin in, nog behoorlijk overtuigt van zijn stoere pose.
Als je goed zou kijken zou je heel even zijn neus zien bewegen. Geen overdreven gesnuif, maar een subtiel snifje. In een flits kijkt hij achter zich, om zich er van te vergewissen dat deze pose voortgezet kan worden.
De rug schiet omhoog en de haren staan springerig alle kanten op maar de kust lijkt veilig. De oorzaak van de hoge rug, ongetwijfeld een onwillig poezelig slachtoffer, is blijkbaar niet meegekomen. De rug heeft bijna zijn normale vorm terug.
De witte dame ziet hem aanlopen en rolt zich om. Lenig staat ze binnen een fractie van een seconde op vier poten. Spinner weet dat de pergola uitkomst biedt.
Er is ook helemaal niets veranderd.